BELASTINGEN IN BEHENDIGHEID - AGILITY "Pagina 1"

fun

ANATOMIE & BIOMECHANICA.


Voordat we naar mogelijke risico's gaan kijken is het beter eerst te kijken welke onderdelen van de hond een rol spelen bij de behendigheid en op welke wijze ze dat doen.
Bij blessuregevaar blijken dan vooral de gewrichten, pezen en gewrichtsbanden de grootste risico's te lopen.
Spierblessures treden wel eens op, maar dat is meestal nadat een hond hard onderuit is gegleden tijdens een afzet of landing.
We zullen ons daarom vooral richten op deze structuren.

ACHTERHAND.

De achterhand bestaat uit het bekken, het bovenbeen, het onderbeen en de voet.
Het heupgewricht is een kogelgewricht, dit betekent dat beweging in drie richtingen mogelijk is.
Het gewricht wordt gevormd door het bekken en het bovenbeen.
Onder aan het bovenbeen zit de knie.
Het kniegewricht bestaat uit drie botdelen: het bovenbeen, het scheenbeen en de knieschijf.
Eigenlijk is er spraken van twee gewrichten in de knie: het gewricht tussen bovenbeen en onderbeen en het gewricht tussen het bovenbeen en de knieschijf.
De knieschijf is een sesambeen en zorgt ervoor dat er minder kracht nodig is om de knie te strekken doordat de afstand pees-draaipunt vergroot wordt.(hefboomeffect).
Het gewricht tussen boven en onderbeen heeft naast een grote buig-strek mogelijkheid ook een kleine draaimogelijkheid.
Dit gewricht is erg complex opgebouwd met kruisbanden en banden aan de zijkanten van het gewricht om de stabiliteit vast te houden.
De menisci zitten tussen boven en onderbeen en vergroten het oppervlak tussen deze botdelen, zodat er een kleinere belasting per vierkante centimeter is.
Het onderbeen bestaat uit het scheenbeen en het kuitbeen, deze botten lopen paralel tussen de knie en de voet.
De voet begint bij het spronggewricht en verloopt via de voetwortelbeentjes over vier stralen in de tenen.
De belangrijkste functie van de achterhand is het ontwikkelen van de afzetkracht, de voorwaartse beweging.
De achterhand is de motor van de hond, de kracht voor de afzet voor een sprong (horde of schutting) wordt grotendeels door de achterhand geleverd.

VOORHAND.

De voorhand bestaat uit het schouderblad, de bovenarm, onderarm en "hand".
Het schouderblad is voornamelijk door spieren met de romp verbonden.
Deze spieren verlopen van ribben of borstbeen naar het schouderblad of bovenarm, het lijf hangt als het ware tussen de voorbenen.
Het schouderblad ligt met een bepaalde hoeking op de ribbenkast (achter hoog naar voren laag).
Het schoudergewricht is relatief instabiel.
Het heeft bewegingsmogelijkheden in drie richtingen en wordt op zijn plek gehouden door de pezen van spieren die over dit gewricht heenlopen.
Het ellebooggewricht bestaat uit drie gewrichtspartners, de bovenkant wordt gevormd door de bovenarm, de onderkant door het spaakbeen en de ellepijp.
Het gewricht kan voornamelijk buigen en strekken, maar hiernaast kan het spaakbeen ook nog iets om de ellepijp draaien, zodat de "hand" iets kan draaien. (Hier komen we nog op terug bij de slalom.)
Het belangrijkste functionele element van de ondervoet is de manier waarop de spieren aangelegd zijn.
De "buik" van de spier (het actieve deel) zit vlak bij het ellebooggewricht en de pezen (passief deel) lopen deels in een peesschede (bescherming) over veel gewrichten heen tot in de teenpunten.
Deze pezen hebben naast de overdracht van de spierkracht de belangrijke functie om de energie die vrijkomt bij een landing (sprong of galop) om te zetten in elastische energie en zo deze energie absorberen.
Deze functie wordt later besproken in samenhang met de landing en de raakvlakken.
Een andere belangrijke structuur aan de "hand" zijn de vetkussens.
Ze hebben de funktie om de dieper gelegen structuren (pezen en peesscheden) te beschermen bij het contact met de grond. (landing)

DE RUG.

De rug bestaat uit verschillende delen.
De hond heeft 13 borstwervels, die samen met de ribben en het borstbeen de borstkas vormen.
De 7 halswervels zitten tussen de kop en de borstwervels.
Het heiligbeen bestaat uit drie vergroeide wervels en vormt samen met de beide bekkenhelften de bekkenring.
Tussen het kruisbeen en de borstwervels zitten de 7 lendenwervels.
De staart bestaat (afhankelijk van ras en toetakelingen) uit 6 tot 20 wervels.
De halswervels hebben veel bewegingsmogelijkheden, die ervoor zorgen dat de kop alle kanten op kan.
De borstwervels kunnen niet al te veel bewegen, daar zij samen met de ribben alle belangrijke organen moeten beschermen.
De lendenwervels kunnen zowel in buig-strek richting als naar de zijkanten goed bewegen.
De belangrijkste functie is de overdracht van de kracht van de achterhand naar de rest van het lichaam.

BIOMECHANICA VAN HET BEWEGINSAPPARAAT.

Het onderzoek van de biomechanica is vooral gedaan met paarden en er is gebleken dat je het springen van honden en paarden tot op zekere hoogte kan vergelijken.
De vraag vooraf was waarom er blessures ontstaan in de behendigheid, wat echter interessanter lijkt is de vraag waarom het zo vaak nog goed gaat.

BELASTING EN OVERBELASTING.

Een spier, pees, gewricht, bot kan kapot gaan door overbelasting :
1/Een te hoge kracht op het deel, waarbij de maximale belasting overschreden wordt.
2/ Een lagere kracht die te vaak herhaald wordt.

DE BELASTENDE KRACHT DIE VOOR DE OVERBELASTING KAN ZORGEN BESTAAT UIT:

1/Spierkracht(nodig voor de beweging).
2/ De schokbelasting bij de landing.
3/ Onverwachte bewegingen
.

TIJDSDUUR VAN DE BELASTING.


Wat verder meespeelt in de rekensom of er overbelasting kan ontstaan is de tijdsduur van de belasting.
Is de tijd die genomen wordt om een prestatie te leveren lang, dan zal de kracht die op de belaste delen speelt lager zijn dan een zelfde prestatie bij een kortere tijd: prestatie = kracht x tijdsduur.
Dus: Hoe korter de tijd hoe hoger de kracht.
Als voorbeeld kan hier de sprong genomen worden: Afzet en landing vragen in principe dezelfde prestatie.
Bij de afzet is de benodigde prestatie hoog, maar omdat de afzetfase lang duurt blijft de kracht vrij laag.
Bij de landing speelt het heel anders: de tijdsduur van het neerkomen is kort waardoor de kracht op de voorpoten hoger ligt.

LANDING.

Bij de landing na een sprong heeft de kracht die op het landende been terecht komt de grote van ongeveer twee maal het lichaamsgewicht van het dier, terwijl de krachten die op de gewrichten spelen in de orde van grote van vijf maal het lichaamsgewicht liggen.
De snelheid en in mindere mate het gewicht van het dier spelen een grote rol.
Als het gewicht toeneemt neemt de kynetische energie (formule uit de fysica: ½ ws2, waar w = gewicht en s = snelheid) die door het landende been geabsorbeerd moet worden lineair toe.
Een verhoging van de snelheid leidt tot een kwadratische toename van de kynetische energie.
Er is niet aan te geven of een bepaalde beweging of een bepaald toestel tot overbelasting zal leiden; iets gaat kapot doordat de belasting te vaak voorkomt, te hoog is of te vaak en te lang wordt opgelegd.
Er gaat praktisch nooit spontaan iets stuk, er zijn vrijwel altijd voortekenen in de vorm van pijnlijkheid of minder graag doen.

DE COORDINATIE VAN DE BEWEGINGEN.


Voor het goed kunnen weerstaan van belastingen en het voorkomen van overbelasting is het belangrijk dat de hond zijn bewegingen op het juiste moment, in de juiste volgorde en met de juiste hoeveelheid kracht uitvoert: de coördinatie van de bewegingen moet kloppen.
Om tot een goede coördinatie te komen is het belangrijk dat de hond weet wat er komt, zodat hij/zij zich daarop kan voorbereiden.
Voor een goede voorbereiding moet de aankomende situatie wel voorspelbaar zijn, de hond moet weten wat hij/zij kan verwachten, alleen dan is een voorbereiding zinvol.
Nu zijn er in de behendigheid een heleboel situaties goed te voorspellen.
De hoogte van de sprongen, de steilheid van de schutting zijn voorbeelden van duidelijk voorspelbare situaties.
Als op tapijt de eerste stap glad is en de hond is daar na de vijfde stap aan gewend is de duizendste stap nog steeds even glad.
Het is dus 100% voorspelbaar voor de hond als zij/hij er eenmaal aan gewend is.
Gras daarentegen kan stroeve en gladde stukken hebben en is bovendien vaak ongelijk, waardoor de voorspelbaarheid afneemt.

ERVARING.

Wat het veiligst is blijft een afweging en daar de meeste mensen niet op tapijt, maar op gras trainen is deze voorspelbaarheid ook maar arbitrair.
Wat namelijk minstens zo belangrijk is, is dat een goede voorspelbaarheid van een hond voor aankomende situaties alleen mogelijk is als de hond vergelijkbare situaties vaak genoeg meegemaakt of ondervonden heeft en deze kan herkennen.
Alleen dan heeft de hond de ervaring zich goed op zo'n situatie voor te kunnen bereiden.
Ervaring kan een hond zelfs zover brengen dat hij weet binnen welke marges zich bepaalde onduidelijke situaties kunnen bevinden (afstand tussen slalompalen, stroefheid raakvlakken) en dat hij zich daarop kan voorbereiden (met de laatste bijstellingen op het moment van handelen).

ERVARING KAN OOK NADELIG WERKEN.

Het grootste gevaar op overbelasting dreigt als een hond zich met een bepaald verwachtingspatroon voorbereidt op een bepaalde situatie, terwijl dit verwachtingspatroon totaal niet aansluit bij de werkelijke situatie (opvriezende raakvlakken).
Het is duidelijk dat een hond in zo'n situatie totaal verkeerd voorbereid zijn bewegingen tracht te coördineren, met alle mogelijke ongelukken tot gevolg.

Dit is Pagina 1

[Home] [Pagina 2] [Pagina 3] [Pagina 4] [Pagina 5]

Met dank aan dierenarts, Roland Mouwen (NL)
DogMaster willy ® 2004. Alle rechten voorbehouden.

Ziet u enkel deze pagina zonder navigatie ga dan naar : http:// www.dogmaster.be