BELASTINGEN IN BEHENDIGHEID.- AGILITY "Pagina 3"

ZWAARDERE LANDINGEN. (Samenvatting van : Part 2)

SPRONGTECHNIEK, BELASTING TIJDENS HET SPRINGEN.

De belangrijkste biomechanische fenomenen.

Prestatie afzet = Prestatie landing.
De energie, vrijkomend tijdens de afzet, moet weer geabsorbeerd worden door het lichaam tijdens de landing.
Belasting = Prestatie : Tijd
De belasting waaraan een lichaam is blootgesteld, is afhankelijk van de prestatie en de hoeveelheid tijd dat het lichaam is blootgesteld aan de prestatie. Hoe korter de tijd, hoe groter de belasting.

VERGELIJKING AFZET MET LANDING.


De techniek van de afzet (hoofd omhoog, afzet van voorhand en achterhand) wordt verdeeeld over diverse struvturen(voorhand en achterhand).
De landing wordt alleen uitgevoerd door de voorhand, de tijdsduur van de afzet is duidelijk langer.
De landing vindt plaats gedurende een kleiner tijdsbestek, daarom is de belasting groter.

afzet[1].jpg

land[1].jpg

Hieruit kan worden afgeleid dat bij het springen de landing de techniek is, waar overbelastingen eerder zullen plaatsvinden.

Als de landings-techniek in beschouwing genomen wordt, blijkt duidelijk welke structuren het meest belast worden: de schoudergordel, schouder- en ellebooggewrichten en de voorpoten.
De "band" (tussen de voorste ledematen) waarin de thorax hangt en de schouder- ellebooggewrichten functioneren zodanig dat de tijd gedurende welke de landing plaatsvindt zo lang mogelijk wordt gemaakt(langere tijd = geringere belasting).

De pols wordt uitgerekt:
1/ Om de tijd van de landing te verlengen.
2/ Om de energie van de landing de absorberen en zo weer opnieuw te gebruiken.

Men kan de verplaatsing van het zwaartepunt gedurende een sprong in twee componenten verdelen.
Verticale component: vindt vooral plaats gedurende het moment van afzetten van de voorhand (de hond heeft nog steeds contact met de bodem); derhalve is de hoeveelheid kinetische energie hier erg klein.
Horizontale component: hangt af van de snelheid van de hond en impliceert het grootste deel van de kinetische energie, die een hond moet absorberen tijdens de landing. Na dit korte overzicht gaan we nu kijken naar de meer gecompliceerde landingen.

EEN LANDING IN COMBINATIE MET EEN WENDING.

Bij een gewone landing wordt een deel van de geabsorbeerde energie gelijk weer omgezet in voorwaartse snelheid.
De energie absorptie bestaat eigenlijk alleen uit de absorptie van de verticale krachten, terwijl de horizontale krachten zo efficiënt mogelijk weer hergebruikt worden.
Indien we een hond tijdens de landing ook van richting laten veranderen, moet behalve de verticale ook de horizontale energie geabsorbeerd worden.
Behalve de belasting ten gevolge van de landing moet tegelijkertijd de belasting van het remmen weerstaan worden.
Dit leidt tot veel grotere belastingen van de voorhand.
Daarnaast kan een gewone landing alleen zo goed mogelijk door het lichaam opgevangen worden als de coördinatie van alle bewegingen zo goed mogelijk plaatsvindt.
Indien een hond tegelijkertijd zowel een wending als een landing moet uitvoeren, dan is de kans groot dat de coördinatie van dit complexe, gecombineerde bewegingspatroon niet helemaal goed verloopt.
Zo kan bijvoorbeeld te laat de buiging van een elleboog plaatsvinden, waardoor de kans op overbelasting van dit gewricht een stuk groter wordt. Door de grotere energie-absorbtie en de complexere coördinatie is de kans op overbelasting bij landingen in combinatie met een wending duidelijk groter.

borddraa[1].jpg

De voorhand staat al in de nieuwe richting: ervaring resulteert in een betere coördinatie van de sequentie van bewegingen.

dhdraai[1].jpg

De onervaren hond moet nog de wending met de voorhand maken.

MOGELIJKE GEVOLGEN HIERVAN.

Tijdens de training dient men de wendingen voor de beginnende honden minder moeilijk te maken, zodat de vereiste coördinatie aangepast is aan de mogelijkheden van de hond.
Het grootste probleem van de wending hangt natuurlijk af van de hoek, maar de afstand van het landingspunt tot het volgende toestel is veel belangrijker.
Wanneer de afstand groter is, heeft de hond meer tijd zich te concentreren op het volgende toestel; daarmede is de vereiste coördinatie voor de opeenvolgende bewegingen bij de landing veel minder gecompliceerd.

VLAKKER SPINGEN.

Een vlakkere sprongtechniek houdt in dat de horizontale verplaatsing relatief veel groter is dan de verticale verplaatsing.
De hond zet relatief verder voor de sprong af en landt er relatief verder achter.
Vlak springen wordt veroorzaakt door enerzijds de aangeboren sprongtechniek van de hond (Belgische herders en Shelties springen relatief steiler dan Border Collies), maar kan ook opgeroepen worden door de hoogte van de sprongen in relatie tot de afstanden tussen de hindernissen.
Een grote afstand (hogere snelheid) in combinatie met lage hindernissen zal het vlak springen bevorderen.

smhoek[1].jpg
Bij een vlakke sprong zien we dat vlak voor het moment van contact maken met de bodem de romp en de rug vrij horizontaal gehouden wordt.
Het schouderblad is naar voren gericht, evenals het opperarmbeen.
Hierdoor is het voor de hond mogelijk om door maximale strekking van boeggewricht en elleboog een volledige gestrekte voorhand te krijgen (om eerder contact te krijgen met de bodem).
Tevens ligt het zwaartepunt van de hond meer achter de voorhand dan bij een steile sprong.
Deze twee factoren leiden ertoe dat het moeilijker is op het juiste moment buiging te laten plaatsvinden in met name de elleboog, maar ook het boeggewricht.
Hierdoor is de kans groter dat de schokabsorptie meer door de gewrichten opgevangen moet worden dan door de spieren door buiging van de gewrichten.
Door de grotere snelheid moet de hond ook meer kinetische energie absorberen.



Hoek romp <=> bodem geringer: Voorhand compleet gestrekt=> Belasting is groter : zie afbeelding ----->


grhoek[1].jpg


Bij een steile sprong daarentegen zien we vlak voordat de hond contact maakt een voorover hangende romp en rug.
Hierdoor staat het schouderblad minder naar voren en meer naar beneden gericht en is het opperarmbeen vaak zelfs recht naar beneden gericht.
Hierdoor lukt het de hond niet om een gestrekte elleboog en boeg te creëren (omdat de kortste weg naar de bodem een gebogen elleboog vereist).
Verder ligt het zwaartepunt verder naar voren, mogelijk zelfs voor het elleboog gewricht (wat het buigen van elleboog en boeg makkelijker maakt).
Hierdoor zijn we bij een steile sprong zeker van het buigen van de gewrichten bij de landing, waardoor de schok zeker door de spieren opgevangen kan worden.
Bij een vlakke sprong is dat lang niet altijd het geval, waardoor een veel zwaardere belasting van de gewrichten dreigt.

Hoek romp<=>bodem groter:Voorhand al in positie om de belasting over de gehele volgorde van bewegingen te verdelen.

MOGELIJKE RICHTLIJNEN VOOR DE TRAINING.

Om de belasting te verminderen moet men:
1/ De afstand tussen de sprongen kleiner maken om de snelheid te verminderen.
2/ De hoogte van de sprongen aanpassen aan de afstand tussen de hordes; de hoogte niet te laag. Een lagere sprong leidt tot een vlakke sprongtechniek en een hogere snelheid.
3/ Een geringere snelheid leidt tot een verminderde kinetische energie (die de hond moet absorberen tijdens iedere landing) en een steilere sprongtechniek, waardoor de hond de belasting van de landing over de verschillende structuren kan verdelen.

MOGELIJKE RICHTLIJNEN VOOR HET BOUWEN VAN HET PARCOURS.

Het verhinderen van vlakke sprongen kan gedeeltelijk door de keurmeesters bereikt worden.
Zij kunnen de snelheid bij de hond zo laag mogelijk maken door de hindernissen kort op elkaar te zetten en de sprongen zo hoog mogelijk zetten. Toch zijn de marges daarvoor binnen het F.C.I. reglement onvoldoende.
De hoogte van 65 cm i.c.m. de minimum afstand van vijf meter leidt nog steeds tot een vlakke sprongtechniek bij veel honden.

Het Engelse reglement biedt wat dat betreft een veel betere waarborg.
De minimum afstand van 3,6 meter (4 yards) i.c.m. de hoogte van 75 cm leidt tot een steile sprongtechniek bij alle honden.
Keurmeesters kunnen de wendingen ook aanpassen aan het niveau van de deelnemers: in de lagere klassen geen scherpe bochten in combinatie met een landing.
Hoe hoger de klasse, hoe moeilijker men de bochten in combinatie met de landing kan maken.
Door ervaring kan de hond omgaan met de moeilijke coördinatie van bewegingen in een landing met een bocht.
Daardoor zal de belasting niet tot overbelasting leiden.

TRAINING LEIDT TOT GROTERE BELASTINGEN DAN WEDSTRIJDEN.

Natuurlijk is er ook sprake van belasting tijdens wedstrijden.
Boven alles willen we het geweten van de deelnemers aanspreken.
Een wedstrijd betekent 3 tot 5 keer op een dag gedurende hoogstens 1 minuut tussen de 10 en 25 toestellen (afhankelijk van onderdeel en klasse).
Tijdens een training echter is men vaak gedurende een uur bezig; wat tijdens een wedstrijd voorkomt wordt in de training vele malen vaker gedaan.
De belasting en zeker de overbelasting vinden niet plaats tijdens een wedstrijd, maar tijdens de training.

Dit is Pagina 3

[Home] [Pagina 1] [Pagina 2] [Pagina 4] [Pagina 5]

Met dank aan dierenarts, Roland Mouwen (NL)
DogMaster willy ® 2004. Alle rechten voorbehouden.

Ziet u enkel deze pagina zonder navigatie ga dan naar : http:// www.dogmaster.be